woensdag 20 oktober 2010

Feedback Logboek Ludwine Dekker

Voor deze cursus moeten we twee maal feedback geven op het logboek van een mede student. Het eerste logboek dat ik van feedback ga voorzien is die van Ludwine Dekker (http://w1dekker.blogspot.com/).

Wat me allereerst opvalt is dat je logboek niet helemaal up to date is. Het laatste bericht op je blog is een reflectie op debatgroep 1, terwijl we inmiddels debat groep 3 al gezien hebben. Ook mis ik de opvallende mediaberichten. Maar ik zal feedback geven op de berichten die je al wel gepubliceerd hebt op je blog, hopelijk heb je er wat aan!

Vorm en duidelijkheid
Ik vind de berichten die je plaatst erg overzichtelijk en duidelijk. Het bericht wat je bijvoorbeeld onder ‘Week 1’ (de stelling, filmanalyse en goed/slecht debat) hebt geplaatst is overzichtelijk doordat je puntsgewijs te werk bent gegaan. Wel mis ik een korte inleiding op veel berichten die je hebt gepost. Bijvoorbeeld bij de filmanalyse en de stukken over het hoorcollege en artikel, daar valt de lezer midden in een verhaal. Ik denk dat je beter kort kunt noemen waar het hoorcollege en artikel over gingen en wat het onderwerp van de desbetreffende week daarbij was. Ook kun je kort noemen wat de opdracht was.

Inhoud
Inhoudelijk zijn al je berichten goed (als ik niet let op de inleiding die ik vaak mis), je laat in de berichten ook je eigen visie doorschemeren wat ik een positief punt vind. In de verslagen over de gastcolleges en de artikelen doe je dit ook. Je brengt de gastcolleges en de artikelen goed in verband met elkaar en je overgang van gastcollege naar het artikel is prettig, je springt niet van de hak op de tak, je maakt het tot een geheel.

Spelling
Als ik je blog bekijk op spelfouten zijn de teksten vrij goed geschreven. Ik heb er haast geen spelfouten in voor zien komen. Wel maak je af en toe wat typ foutjes, zoals bij het bericht over het 1 op 1 debat: “Je denkt dat het aanbod van legale content vrije laag is…” Of bij het bericht over de filmanalyse: “Dit debat was goed omdat er duidelijk definieerde partijen aanwezig waren zoals een 'voorstander'… 
En sommige zinnen kloppen niet of lopen niet lekker, zoals in het verslag wat je hebt gedaan over Tim Kuik’s gastcollege en het artikel van Mcleod (Week 3): “Betekend het en masse downloaden of bewerken van entertainmentmaterialen niet gewoon dat er een omslag is van wat als ‘goed’ of ‘fout’ wordt gezien? Ik denk dat als er een oplossing gevonden moet worden voor het huidige spanningsveld, dat dit de prioriteit heeft, en niet het krampachtig dwingen consumenten te betalen voor dingen waarvoor ze niet willen betalen.”
Je zou je blog berichten nog een keer over kunnen lezen op dit soort foutjes.

Schrijfstijl
Je hebt een goede schrijfstijl gevonden voor je blog naar mijn mening. Het is academisch geschreven, maar ook niet té, er zit wel enigszins informaliteit in. Dit maakt je berichten tot prettig leesbare stukken.

Bronnen
Bij alle berichten die je op je blog hebt gepost vermeld je netjes de bronnen. In het verslag van het hoorcollege van Tim Kuik en het artikel van Mcleod vermeldt je het volgende: “Wat is een ‘idee’? Intellectual property slaat op een ‘idee’ dat aan iemands gedachten is ontsproten. Wanneer we hierbij kijken naar mash-ups, dan is het ‘idee’ van de specifieke mash-up van degene die de mash-up heeft bedacht; niet van degene die het materiaal aanleverde dat de maker inspireerde tot het maken van de mash-up. Wanneer over dat laatste IP-‘belasting’ moet worden betaald, dan gaat het om een product, namelijk, het specifieke nummer dat de maker gebruikt heeft voor de mash-up.” Heb je deze omschrijving van een ‘idee’ zelf bedacht? Op mij kwam het over van niet namelijk, is dit het geval dan moet je er een bron bij vermelden.

woensdag 20 oktober 2010

Feedback op logboek mede-student Milou van Bruggen

Tijdens de cursus nieuwe media & het actuele debat moeten we twee keer een logboek van een mede-student voorzien van feedback. De eerste keer is de blog van Milou van Bruggen aan de beurt: http://w1bruggen.blogspot.com/

Beste Milou!

Ik heb met aandacht naar je blog gekeken en zal je van feedback proberen te voorzien op verschillende punten.
Mijn eerste indruk is dat je goed en actief met de blog bezig bent. Je plaatst nieuwsberichten en alles is up-to-date. Ook viel me meteen op dat je witte tekst op een zwarte achtergrond gebruikt. Ziet er heel gelikt uit, maar 't is heel onprettig lezen, met name bij langere stukken (gouden regel van reclame-legende David Ogilvy... nooit lichte teksten op donkere achtergrond gebruiken!).
Inhoudelijk valt het me op dat je artikelen goed introduceert, door even kort wat te vertellen over de spreker, het debat of het onderwerp in het kader van de cursus. Je schrijft helder en begrijpelijk, makkelijk te lezen teksten. Dat is prettig. Wat de leesbaarheid misschien nog beter zou maken is als je meer gebruik zou maken van tussenkopjes die structuur geven aan je verhaal.
Ik heb specifiek gekeken naar je laatste artikel over het gastcollege van Bert Brussen en de tekst van Mark Deuze. Het valt me op dat je vrij natuurlijk de overgang maakt van het gastcollege naar de gelezen tekst. Ook breng je duidelijk de verschillen en overeenkomsten in beeld. Probeer wel, als je verwijst naar een nieuwsbericht of eigen blogpost, de link er bij te plaatsen.
Af en toe kom ik nog wel een stijlfoutje of een verkeerde werkwoordsvorm tegen. Misschien moet je de teksten nog eens overlezen om dit soort foutjes te voorkomen. 

Veel succes nog met je verdere blog-activiteiten! 

Thomas

dinsdag 19 oktober 2010

Week 4/5: Nieuwe media en journalistiek


Week 4/5 staan in het teken van journalistiek en de nieuwe media, afgelopen donderdag (14 oktober) hebben we een gastcollege bijgewoond over dit onderwerp, de gastspreker was Bert Brussen. Een (bekende) freelance journalist en weblogger die onder andere werkt voor GeenStijl en Nu. Hij zag al meteen met de komst van internet potentie in het medium. Hij zag internet ook als iets waar hij zich kon uiten, zijn mening kon vertonen. Daarbij is de journalistiek door de komst van internet veel breder en vrijer geworden volgens hem. De weblogger vindt ook dat webloggen veel meer gebruikt zou moeten worden. Als bijvoorbeeld een gebeurtenis of nieuws op de voorpagina van de krant staat wordt er veel waarde aan gehecht, maar als iemand iets op zijn blog publiceert niet. Dit is vooral te wijten aan het feit dat er nog niet veel waarde aan blogs gehecht wordt, we vallen nog steeds vaak terug op de vertrouwde traditionele media in dit opzicht.

Brussen vertelde over de groei van communities en de kracht daarvan. Communities kwamen al snel na de komst van internet en zijn meer dan passieve gemeenschappen, denk bij een communitie bijvoorbeeld aan Twitter. Het is een plaats waar men zich kan uiten. Twitter is voor freelancers, dus ook voor Brussen, heel belangrijk. Op Twitter kun je laten zien wie je bent en krijg je meer bekendheid waardoor je, makkelijker dan anders, opdrachten binnen kan halen. Brussen is heel erg positief over Twitter, hij noemt het medium zelfs een revolutie in de communicatie.

Voor de journalistiek is de komst van internet van heel grote invloed geweest. Dit kwam niet alleen terug in de lezing van Brussen, maar ook in het artikel dat ik gelezen heb van Mark Deuze (2003): ‘The web and its journalisms: considering the consequences of different types of newsmedia online.’ Het artikel omschrijft vier soorten van online journalistiek (mainstream news sites, index en category sites, meta- en comment sites en share and discussion sites) en bespreekt ze in termen van de belangrijkste kenmerken van online publishing. Een centrale vraag hierbij is wat deze vormen van online journalistiek betekenen voor de traditionele vormen van journalistiek. Het artikel is meer een theoretische omschrijving van de nieuwe media en journalistiek, terwijl de lezing van Brussen meer inging op de praktische kant van nieuwe media en journalistiek. Brussen vertelde namelijk uit eigen ervaring en gaf veel voorbeelden, wat het tot een interessant en levendig gastcollege maakte.

Brussen en Deuze weten dat er niet alleen positieve kanten van social media zijn. De grote valkuil van social media, zo meent Brussen, is dat je heel snel grenzen ‘overschreidt’. De gedachte is namelijk dat men denkt dat je online alles kunt zeggen en doen. Maar het is al gebleken dat je helemaal niet ongestoord of ongestraft alles kunt zeggen op het internet: “Al meerdere keren hebben rechters moeten oordelen over de toelaatbaarheid van beweringen op internet. De vrijheid van meningsuiting is een grondrecht, (…). Maar er zijn wel grenzen aan wat je mag zeggen. Racisme en discriminatie zijn wettelijk verboden. Wie zich schuldig maakt aan belediging, smaad of laster kan een rechtszaak aan zijn broek krijgen.”(Op: Jurofoon, 2007). Ook Brussen zelf heeft hier ervaring mee gehad. Het probleem hierbij is dat de wetgeving nog niet is aangepast op al deze nieuwe problemen met de komst van internet, het OM weet nog helemaal niet hoe ze met deze zaken om moeten gaan. Brussen vindt het jammer dat er ook weer regels moeten komen op het internet. Hij vindt het beknellend dat je bijna niets mag zeggen, waarom zou je altijd fatsoenlijk moeten zijn? Dat is ook een reden waarom hij o.a. voor GeenSTijl werkt; daar kun je alles zeggen wat je wilt. Doordat er geen regels waren bleek het internet voor velen juist aantrekkelijk.

Daarnaast menen Deuze en Brussen dat door de komst van internet iedereen razendsnel nieuws kan verspreiden. Dit kan een probleem zijn voor de online journalistiek. Je zou denken dat dit juist veel voordelen heeft, maar iedereen kan nu heel snel nieuws verspreiden, waardoor het waarheidsgehalte in het gedrang kan komen (Vereijken, 2009). Het kan dus resulteren in valse berichtgeving (onzin verspreiden) en mensen die grappen uithalen wat door anderen als serieus opgevat kan worden.
           
Na de lezing van Bert Brussen konden er vragen gesteld worden. Een interessante vraag die gesteld werd was in hoeverre Brussen denkt dat nieuwe media oude media zullen vervangen. Hij denkt niet dat de traditionele media zullen verdwijnen maar dat alles op den duur digitaal wordt. Dus hij denkt niet dat de krant verdwijnt, maar het papier waar het op gedrukt wordt wel.
Bronnen:
Deuze, Mark. "The Web and its Journalisms: Considering the Consequences of Different Types of Newsmedia Online." (2003): 203-221.

Paul Vereijken. “Crash laat zien dat we een wijze man nodig hebben in de Twitter-kroeg.” [2009] Denieuwereporter. Homepage- 14-10-2010
http://www.denieuwereporter.nl/2009/02/crash-laat-zien-dat-we-een-wijze-man-nodig-hebben-in-de-twitter-kroeg/ 

Anoniem. “Vrijheid van meningsuiting op internet.” [2007] Jurofoon. Homepage – 15-10-2010 http://www.jurofoon.nl/nieuws/weblog.asp?id=2737

vrijdag 15 oktober 2010

Mediabericht over nieuwe media week 4/5

Week 4 en 5 staan in het teken van Nieuwe Media en Journalistiek. Dus ben ik op zoek gegaan naar een opvallend mediabericht hierover. Ik kwam dit mediabericht tegen uit februari 2009. Het vertelt over hoe snel Twitter nieuws verspreid, maar dat we al die tweeds niet meteen moeten geloven en vooral dat het lijkt te gaan over wie het snelste nieuws verspreid en dat zo het waarheidsgehalte in gedrang komt. Het deed me ook een denken aan het gastcollege van Bert Brusser, hij vertelde ook over de snelheid van de tweeds als er iets gebeurd en wat we met deze informatie kunnen.
                Zelf ben ik het eens met de schrijver van dit artikel. Iedereen wil het snelste nieuws verspreiden zoals ook bij de crash met Turkish Airlines. Maar wat hebben de mensen die het lezen eraan als het waarheidsgehalte in het gedrang komt? Op de ene tweed lees je dat er 10 doden zijn op de andere dat er geen doden zijn, hier heeft niemand iets aan. Zoas Vereijken ook zegt: “Waarom verkiest een journalist snelheid boven betrouwbaarheid? Om de lezer, luisteraar of kijker te dienen? Volgens mij is die daar juist he-le-maal niet mee gediend.” Ik snap dat mensen zo snel mogelijk het nieuws willen verspreiden en willen laten zien dat zij erbij waren. En natuurlijk heeft het ook goede kanten, journalisten bijvoorbeeld worden door Twitter meteen op de hoogte gebracht van waar er wat gebeurd. Maar snelheid van nieuws verspreiden verkiezen boven het waarheidsgehalte vind ik geen goede ontwikkeling.



Paul Vereijken
25.2.2009
Twitterpaniek. Er is een vliegtuig neergestort vlakbij Schiphol en dat houdt het gros van twitterend Nederland in een greep. Berichten – tweets – met verschillende cijfers van gewonden en doden worden via Twitter het web op geslingerd.
Tussen de 100 en 250 mensen zouden aan boord zijn, schrijft Bright op basis van nieuwsberichten en tweets. Of zijn het er toch maar 80? Ligt het vliegtuig in twee of drie stukken? Of is het van de baan geschoven en is er dus veel minder aan de hand dan gedacht wordt? De ene tweet struikelt over de andere.

De gevestigde media buitelen tegelijkertijd over elkaar heen met allerlei (onbevestigde) cijfers. De tweets van breaking news twitteraar
BreakingNewsOn geven dat als geen ander weer. Het is een rat race zoals die zich vaker afspeelt bij breaking news.
Terwijl deze blogpost geschreven wordt, haalt de waarheid mij in. In de persconferentie van 13.30 uur wordt gemeld dat er meer dan 50 gewonden en 9 doden zijn gevallen. Wat er precies gebeurd is en hoeveel gewonden of doden er geteld zijn, doet er voor deze post ook niet toe.
Medium of bron?
Wat er wel toe doet is de vraag of door steeds snellere media en de drang van nieuwsorganisaties om als eerste het breaking news naar buiten te brengen, de waarheid in het gedrang komt. En doet Twitter daar aan mee? Sterker: maakt Twitter het nog wat erger?
Het antwoord hangt af van hoe je Twitter – snelle, persoonlijke, korte én vaak ongecontroleerde informatie – beschouwt. Is het een medium? Of een bron?
Iedere nuchtere en gezonde journalist weet dat Twitter geen bron is, maar een medium. En dan ook nog een medium met veel mitsen en maren. Misschien is het zelfs wel niet meer dan een doorgeefluik. De kracht van Twitter zit ‘m in de snelheid en het interactieve karakter. Een bericht is in drie seconden getikt, heel de wereld kan het lezen en er op reageren.
Maar dat maakt de informatie die via Twitter de wereld in wordt geslingerd nog niet waardevol voor de journalistiek. Gecontroleerde en controleerbare feiten, die zijn van journalistiek waarde.
Is daarom het medium op zich ook minder waardevol? Zeker niet. Twitter laat zien dat er een behoefte is aan het snel en makkelijk delen van relevante informatie – of het nu gaat over een huisdier of brekend nieuws. En dat gebruikers van dat medium ook snel en makkelijk op elkaar willen reageren.
‘Publish information that replaces speculation’
Het doet mij denken aan een kroeg. Een volle kroeg waarin ik iedereen ken. De een wat meer, de ander wat slechter. Maar waar wel iedereen mogelijk wat relevants voor mij heeft. Waar ik vaak goede informatie vindt en ideeën opdoe. En waar zeker ook plek is voor journalisten.
Maar af en toe raakt die kroeg in de ban van brekend nieuws of een interessant gerucht. Voordat de kroeggangers het zelf door lijken te hebben praat iedereen door elkaar. Struikelt het ene nieuwtje over het andere.
Op dat moment heb ik behoefte aan de wijze man in de kroeg. Die met Hollandse nuchterheid zich weinig van al die nieuwtje aantrekt, zwijgt en er op uitgaat. Een journalist die uitzoekt wat er daadwerkelijk aan de hand is. Een die niet meedoet aan de rat race. Die zich houdt aan het eerste gebod uit The Universal Journalist van David Randall: “Discover and publish information that replaces rumour and speculation.”
Juist wat dat betreft lieten professionele nieuwsorganisaties het vandaag afweten. Tijdens de live uitzending van het NOS Journaal hoorde ik met pijn in mijn oren de presentator zeggen dat tot nu toe alle berichten nog “onbevestigd” waren. Pardon? Of The Associated Press die via Twitter meldde dat “all passengers survived Amsterdam plane crash” en dat toeschrijven aan de Turkse vliegtuigmaatschappij. Zulke berichten stijgen niet boven het niveau van de kroeg genaamd Twitter uit.
Ik begrijp het niet. Waarom verkiest een journalist snelheid boven betrouwbaarheid? Om de lezer, luisteraar of kijker te dienen? Volgens mij is die daar juist he-le-maal niet mee gediend. Geruchten vertellen feitelijk niets. En als ik bij het ene medium hoor dat er 1 dode is en bij het andere lees dat het er 5 zijn. Maar beide voegen daar nog zonder pardon aan toe dat het om onbevestigde cijfers gaat, dan denk ik: had dan nog niets verteld.
Want wat koopt die lezer, luisteraar of kijker voor al die berichten met onbevestigde cijfers die over elkaar heen rollen? Beter verwoorden dan een treinpassagier die ik vanmiddag trof kan ik het eigenlijk niet. Terwijl al mijn aandacht uitging naar de tweets op mijn mobiele telefoon ontnuchterde zij mij. “Hoeveel doden en gewonden zijn er gevallen?”,vroeg ze aan haar vriendin. Ik kon niet horen wat haar vriendin door de telefoon antwoordde. Maar de reactie van mijn medepassagier zei genoeg: “Oh, dan lees ik het morgen in de krant wel.”

Bron:
Paul Vereijken. “Crash laat zien dat we een wijze man nodig hebben in de Twitter-kroeg.” [2009] Denieuwereporter. Homepage- 14-10-2010 http://www.denieuwereporter.nl/2009/02/crash-laat-zien-dat-we-een-wijze-man-nodig-hebben-in-de-twitter-kroeg/  

zaterdag 9 oktober 2010

Debatgroep 2: Games in/en het onderwijs

Week 3 en 4 stonden in het kader van Games en/in het onderwijs. Afgelopen maandag (4 oktober) heeft de tweede debatgroep een debat gehouden over dit onderwerp, de stelling bij dit debat luidde:
Serious gaming moet binnen 5 jaar een fundamenteel onderdeel zijn van het basisonderwijs vanaf groep 3. Hierbij spreken ze over games waar een leerproces in zit.
Eric en Eline waren voorstanders van de stelling, Rick en Bram waren de tegenstanders en Thomas was de voorzitter van het debat. Thomas gaf een heldere inleiding op het debat en heeft ook uitgelegd hoe het debat was opgezet. Eerst kregen de voorstanders 3 minuten de tijd om hun verhaal te doen, daarna de tegenstanders. In de tweede ronde kregen beide partijen 5 minuten om in te gaan op de argumenten van de tegenstander. Hierna mocht het publiek zich in de discussie mengen en vragen stellen of opmerkingen maken. Dit pakte goed uit, want door inmenging van het publiek kwam het debat weer helemaal opgang.

Argumenten
In de eerste ronde vertelde Eline dat spelenderwijs leren beter is, omdat de games aansluiten op de belevingswereld van kinderen. Ook vindt het leren en de toetsing tegelijk plaats, daarnaast is het goedkoop en effectief, omdat kinderen door de games meer gemotiveerd worden. De tegenstanders gaven argumenten als dat de overheid momenteel flink moet bezuinigen en er dus geen geld is voor nieuwe middelen als games. Games als fundamenteel onderdeel invoeren in het onderwijs gaat zo’n 70 miljoen euro kosten en dat is erg veel. Ook is de expertise duur.
In de tweede ronde reageerde Eric op het argument dat de overheid momenteel flink moet bezuinigen. Hij argumenteerde dat juist als het slecht gaat met de economie je innovatief moet zijn. Hij noemde ook een aantal bestaande games die ingezet zouden kunnen worden. En hij argumenteerde dat het onderwijspakket aangepakt moet worden; door games in te zetten wordt het niveau hoger. Bram ging op zijn beurt weer in tegen de voorstanders en stelde dat kennis uit boeken zeer belangrijk is en dat leraren geen administrators moeten worden. Bovendien moeten kinderen ook leren wat niet of minder leuk is, anders zullen ze later veel moeite hebben met zaken die ze moeten doen die niet leuk zijn. Ook haalde Bram aan dat als je veel tijd achter de pc doorbrengt je veel klachten kunt krijgen als RSI, nek- en rugklachten etc. Hierna werd het publiek erbij betrokken.

Reflectie
Minder goed aan het debat vond ik de precieze tijd die de voorzitter aanhield. In de tweede ronde had Eric namelijk 5 minuten om zijn verhaal te doen, maar hij was eigenlijk al eerder klaar. Thomas wees Eric erop dat hij nog tijd over had en dus moest Eric even zoeken in zijn papieren wat hij nog meer kon gaan vertellen. Het was beter geweest als Eric nadat hij klaar was gewoon mocht gaan zitten, want nu moest hij in zijn papieren naar meer argumenten gaan zoeken en dat kwam niet erg overtuigend/ voorbereidt over.
Lastig is ook dat je in het lokaal niet een ideale opstelling kan maken, daardoor stond Thomas in het midden aan de zijkant van het lokaal waardoor ik de tegenstanders niet helemaal kon zien. De houding van de voorzitter en de deelnemers van het debat waren wel goed. Vooral Eric en Bram stonden er zelfverzekerd bij. Bram wilde zijn verhaal aansterken door een hard stemgebruik en gebaren met zijn handen, dit is hem goed gelukt alhoewel het soms wat overdreven was waardoor het juist in zwakte omsloeg. Zoals Eric ook al zei, hij probeert zo overtuigend mogelijk zijn verhaal te doen om zijn zwakke argumenten toch sterk te laten lijken. Al ben ik niet van mening dat Bram hele zwakke argumenten aandroeg. Eric sprak juist heel rustig en je kon zien dat hij niet zenuwachtig was, daardoor kwam hij zelfverzekerd en overtuigender over. Eline was in het begin wat zenuwachtig maar dit nam later af waardoor haar argumenten ook sterker overkwamen. Rick was ook vrij rustig en kon zijn verhaal goed doen, maar bij de tegenstanders was het toch vaak Bram die aan het woord was.
Alle deelnemers zette hun argumenten kracht bij door bronnen te noemen, dit was een goed punt. Wel hadden ze de bronnen iets meer uit kunnen diepen en hun eigen visie kunnen geven op de bron. Er was soms ook sprake van aannames en vooroordelen, dit is erg lastig om te voorkomen. Een aanname die uitgesproken werd door de voorstanders was dat games goedkoop en effectief zijn. Ook de tegenstanders spraken aannames uit, zoals dat leraren geen administrator zouden willen worden.

Eline en Eric (de voorstanders) zijn door het publiek als winnaars gekozen, terecht naar mijn mening. Het was een leuk debat om naar te kijken en inhoudelijk was het ook interessant.

woensdag 6 oktober 2010

Week 3/4: Serious Games


Donderdag 30 september hebben we een gastcollege mogen volgen dat gegeven werd door Jacco van Uden van STT (Stichting Toekomstbeeld der Techniek). Centraal  in zijn lezing stond de toekomst van ‘Serious Gaming’. ‘Serious gaming’ is een van de toekomstverkenningen die de stichting heeft lopen. Om te weten te komen wanneer een game ‘serious’ is moet je naar de impact ervan kijken op het gebied van communicatie, voorlichting, educatie en training. Zoals Van Uden stelt moeten we kijken naar de effecten van de gaming-cultuur, de economie rondom gaming, het profiel van de gamer en de effecten van gamen. Een van de meest voor de hand liggende toepassingsgebieden van ‘serious games’ is het onderwijs. En hier is ook waar dit gastcollege raakvlak heeft met het artikel dat ik heb gelezen van J.C. Herz (2001): ‘Gaming the System’.
Het artikel van Herz begint met een historische schets over de eerste computergames die al enigszins een leerproces in zich hadden, hier wordt Spacewar aangehaald (169,170). Herz werkt later in het artikel toe naar hoe games in te zetten zijn in het onderwijs, specifiek het hoger onderwijs. Zij geeft aan dat online games goed te gebruiken en heel leerzaam zijn in het hoger onderwijs (174,175). Van Uden noemde in zijn lezing een aantal punten waarom het gebruik van het games in het onderwijs voordelen zouden kunnen bieden. Zoals dat games sociale contacten bevorderen doordat zij zich samen in die online game cultuur bevinden. Herz haalt in het artikel aan dat door het gebruik van bepaalde games in het onderwijs, het leersysteem sneller, moderner en beter wordt. Er is namelijk een soort ‘strijd’ tussen individuen en groepen, wat de leerlingen/ studenten erg motiveert. Doordat gamers samenwerken ontstaat er ook een gevoel dat je bij een groep hoort (184). Herz laat dus min of meer ook zien dat games als het ware sociaal zijn, dit is ook af te leiden uit de ‘clans’ die zich vormen op het internet rondom de multiplayer online werelden zoals in Quake of WarCraft (183, 184). Herz heeft hier zeker een punt dat leerlingen door dit soort games socialer worden en het hun sociale contacten bevorderd. Maar in het hedendaagse onderwijs zitten de leerlingen in een klas en hebben face-to-face communicatie in plaats van via een game te communiceren. Op school maak en onderhoud je dus ook sociale contacten. 
Wat Van Uden ook aanhaalt in zijn lezing als voordelen is dat games helpen gecontextualiseerde kennis te verwerven, kennis uit een game zou je beter onthouden dan droog rijtjes stampen bijvoorbeeld. Naast het verwerven van kennis leer je ook nog hele andere dingen van games, het bevordert bijvoorbeeld je reactiesnelheid en hand-oog coördinatie. Bovendien krijg je bij het spelen van een game meteen feedback op je handelingen, hierdoor leer je snel. Leren en toetsen zou je in een game kunnen laten versmelten: hoe beter je bent hoe verder je in de game komt. Maar toch zijn games nog steeds niet geïntegreerd in het onderwijspakket, hier zou verandering in moeten komen volgens Herz. Dit integreren van games in het onderwijs gaat niet zo makkelijk aangezien scholen rekening houden met de verwachtingen van ouders ten aanzien van het onderwijs, de volgens sommigen gebrekkige kwaliteit van de games en de weifelende houding van uitgevers.

Opvallend aan het artikel van Herz is dat zij geen wetenschappelijk bewijs aanhaalt voor haar bewering dat de multiplayer online werelden (games) een effectieve manier van leren in zich hebben. Wat ik jammer vond aan het college van Jacco van Uden was dat hij weinig vertelde over zijn eigen visie op de genoemde punten in het college. Ik zit tussen de visie van Herz en Paul Kirschner (Weistra, 2007) in, Kirschner is namelijk tegen het inzetten van Serious Games in het onderwijs, integenstelling tot Herz. Het is geen goed idee om per direct games met educatieve doeleinden in te zetten in het onderwijs, maar de nieuwe onderwijstechnieken moeten langzaam een aanvulling worden op het bestaande onderwijs, meent ook Paul Kirschner (2007). We zijn er nog niet geheel klaar voor om games nu te gaan gebruiken als vast component in het onderwijs. Er zal namelijk eerst een valide en handige methode gevonden moeten worden om te toetsen of een leerling bijvoorbeeld na het spelen van een game de stof kent; als je doorgaat naar het volgende level hoeft dat niet perse te zijn omdat je alle kennis bezit. De combinatie van het hedendaagse onderwijs en het inzetten van games kan goed samen gaan. Zo hebben de leerlingen afwisseling en leren ze ook kennis opdoen via een andere weg dan alleen uit boeken en van de onderwijzer(es). Bovendien verplaatsten games zich enorm snel naar allerlei platforms: je kunt games spelen op je mobiel, nintendo, psp, iPod etc.

Kirschner stelt ook een groot probleem bij het nieuwe leren: het miskennen dat mensen een mentaal model nodig hebben om informatie te kunnen plaatsen. Maar hij kijkt niet verder en laat buiten beschouwing dat men van games ook dingen leert, zoals dat games het ruimtelijk inzicht, creativiteit, oog-hand coördinatie en reactiesnelheid bevorderen. Dit is ook wat Van Uden al aangaf in zijn lezing. Maar  kwaliteiten als schrijven, een boek lezen en spreekvaardigheid moeten ook beoefend blijven worden. Games moeten niet het hele onderwijsvervangen, maar ze moeten wel een vaste plek krijgen.

Vraag: Denkt u dat je door het spelen van games echt socialer wordt?
Het hoeft niet maar het kan zeker, meent Van Uden. Iemand die bijvoorbeeld heel verlegen is en World of Warcraft al een tijd speelt en er heel erg goed in is kan daardoor meer zelfvertrouwen krijgen. Dit zelfvertrouwen tijdens het spelen kan ook tot uiting komen in de contacten met mensen.

Bronnen:
Herz, J.C. “Gaming the System. What Higher Education Can Learn from Multiplayer Online Worlds. The Internet and the University, Forum (2001): 169-191.
Weistra, Harm en Pieter de Vries “Paul Kirschner: ‘Ik denk niet dat er zoiets als nieuw leren bestaat’” Interview met hoogleraar Paul Kirschner, 2007.

Website:

Debatverslag

Afgelopen maandag ( 27 september ) heb ik met mijn groep een debat gevoerd in het kader van Internet en Auteursrecht. Onze stelling hierbij was: Niet-commercieel gebruik van auteursrechtelijk beschermde content moet worden toegestaan.
Saskia de Jong en Thomas Boeschoten vormden een team die tégen deze stelling waren. Ryanne Turenhout en Cynthia Mourits waren de voorstanders van de stelling. Sandra Timmerman was de voorzitster van het debat en ik vervulde de rol van presentatrice. We zijn met z’n allen bij elkaar gaan zitten en hebben de opzet van het debat gevormd: de stelling, een aantal voor- en tegenargumenten, de rol van voorzitter en presentator en de inleiding op het debat. Toen hebben we de teams samengesteld en deze hebben ieder apart nog een aantal argumenten bedacht, zodat beide partijen niet alles al van elkaar wisten.
                Ik als presentatrice mocht een inleiding geven op het debat. Hierin heb ik genoemd dat het auteursrecht met de komst van het internet een stuk gecompliceerder is geworden. Voor de komst van internet was het auteursrecht alleen op een kleine groep mensen van toepassing, zoals voor schrijvers, fotografen en kunstenaars. Tegenwoordig heeft vrijwel iedereen met het auteursrecht te maken, iedereen heeft namelijk toegang tot internet en kan van alles (muziek, foto’s, filmpjes, teksten) publiceren op bijvoorbeeld hun website of weblog. Het kan natuurlijk ook zijn dat anderen, waaronder commerciële sites, jou content overnemen zonder naamsvermelding. Hoe zou je hierop reageren? En hoe vind je dat het zit als je content overneemt van anderen zonder commerciële doeleinden? Daarbij heb ik voorbeelden aangehaald als Danger Mouse die zijn Grey Album gratis publiceerde, en dat vele mensen content van anderen op hun weblog posten zonder commerciële belangen. Na mijn inleiding heeft Sandra de stelling toegelicht en de debaters voorgesteld aan het publiek.
                Omdat ik het publiek (mijn medeleerlingen) ook actief wilde betrekken bij ons debat heb ik groene en rode kaartjes uitgedeeld. Af en toe hebben we het debat onderbroken om de mening van onze medeleerlingen te vragen (rode kaartjes omhoog als je tegen de stelling bent en de groene omhoog als je voor de stelling bent). Zij konden ook vragen stellen of reageren als zij op- of aanmerkingen hadden of iets niet duidelijk was.

De rol als presentatrice is me goed bevallen. Het debat inleiden en het publiek erbij betrekken vind ik leuk om te doen. Soms onderbrak ik het debat en kon het publiek zich ook laten horen. Soms nam ik de rol van de voorzitter op me door de beurt van de debatanten af te kappen. Dat zou ik de volgende keer aan de voorzitter over moeten laten. Als ik reflecteer op het gevoerde debat tussen de teams dan had dit beter gekund. De voorstanders van de stelling werden een beetje in het nauw gedreven door de tegenstanders. Dit hadden we niet voorzien, aangezien we veel argumenten hadden bedacht voor beide partijen. Ryanne (voorstander) had heel wat goede argumenten, maar deze kwamen helaas in het debat niet tot uiting. Verder was het zonde dat er geen bronnen zijn genoemd bij de argumenten die genoemd werden in het debat, dit was goed geweest om de argumenten kracht bij te zetten. We hadden namelijk wel veel bronnen (bewijs) verzameld.
                Tijdens en aan het einde van het debat bleek dat voor een aantal medestudenten uit de werkgroep de stelling niet duidelijk genoeg was. Dit kwam met name door het woord ‘niet-commercieel’, omdat dit een ruim begrip is en niet iedereen er hetzelfde onder verstaat. Ondanks dat Sandra en ik dit begrip in de inleiding hebben verduidelijkt was het toch niet genoeg.

Ook al verliep het debat niet helemaal op rolletjes, ik heb er in ieder geval veel van geleerd en dat is vooral waar het om draait bij een cursus. Iemand moet als eerste het debat voeren en als voorbeeld dienen voor wat goed en minder goed bij een debat is.